Genafwijking verklaart chemo-ongevoeligheid bij kiemcelkanker.

21-04-2022 17:37

 

 

 

 

Extra kopieën van een stukje DNA verklaren deels ongevoeligheid voor chemotherapie bij kiemcelkanker, blijkt uit nieuw onderzoek. Onderzoeksleider prof. dr. Leendert Looijenga: ‘In de toekomst kunnen onze bevindingen helpen om patiënten met hoog-risico kiemcelkanker beter te herkennen. Als de chemotherapie bij hen niet werkt, kan de arts een andere behandeling bepalen.’


Kiemcelkanker ontstaat door een fout in de ontwikkeling van de eicellen bij meisjes en zaadcellen bij jongens. Het is de meest voorkomende soort kanker bij jongens en mannen tussen de 15 en 45 jaar, maar komt ook voor bij kinderen. De kanker kan ontstaan in de zaadbal of op andere plekken in het lichaam, bijvoorbeeld achter het borstbeen. De meeste patiënten genezen dankzij de combinatie van een operatie en chemotherapie met cisplatine. Maar bij sommigen is de ziekte ongevoelig voor deze soort chemo.

 

Om nieuwe therapieën te ontwikkelen is het belangrijk om te begrijpen waar ongevoeligheid voor cisplatine door komt. Om de onderliggende oorzaak uit te pluizen keken wetenschappers van het Máxima naar cellen in het lab, stukjes tumor en klinische gegevens van kinderen, jongens en mannen met kiemcelkanker. Hun onderzoek is vandaag gepubliceerd in het vakblad Journal of Clinical Oncology, en werd gefinancierd door Stichting Bergh in het Zadel en de basisfinanciering van KiKa.

 

 

Extra kopieën in het DNA:


Eerst analyseerden de wetenschappers het volledige DNA van kiemcelkankercellen in het lab: levende cellen die in het lab ongevoelig gemaakt waren voor cisplatine. Prof. dr. Leendert Looijenga, groepsleider in het Prinses Máxima Centrum, leidde de studie. ‘We ontdekten dat alle ongevoelige cellen extra kopieën hadden van een stukje DNA in de zogenaamde 3p25.3 regio,’ vertelt hij. ‘Hoe meer extra kopieën, hoe minder gevoelig de cellen in het lab waren voor de chemotherapie cisplatine.’

 

Vervolgens doorzochten de onderzoekers het DNA uit kiemcelkanker van mannelijke patiënten van verschillende leeftijden, zowel voor als na behandeling met cisplatine, om te kijken hoe vaak de verandering in 3p25.3 voorkomt. ‘We zagen de extra kopieën bij 15 van de 221 gevallen. De fout is dus zeldzaam,’ aldus Looijenga. ‘Maar we zagen ook dat deze afwijking duidelijk vaker voorkomt na behandeling met cisplatine – dus bij patiënten voor wie dat medicijn niet meer werkte. Dit wijst erop dat de extra kopieën van dit stuk DNA een rol spelen in de ongevoeligheid voor deze chemotherapie.’

 

Klinische waarde:


Om het effect van de extra kopieën van 3p25.3 verder te onderzoeken, keek het team van Looijenga naar gegevens van een groep van 180 kiemcelkankerpatiënten die in de Verenigde Staten was behandeld. Ze zagen dat de ziekte gemiddeld vaker terugkwam bij jongens en mannen met een zogenaamd non-seminoom, hetzelfde type kiemcelkanker als de cellen die in het lab waren bestudeerd, mét de betreffende afwijking. Ook overleefden deze patiënten minder lang. Looijenga: ‘Dit bevestigt dat onze bevinding over de 3p25.3-afwijking uit het laboratorium ook klinisch van waarde is.’

 

‘Ons onderzoek is nog in een vroege fase, maar in de toekomst kan dit helpen om patiënten met kiemcelkanker met een hoog risico op resistentie voor cisplatine chemotherapie vroeg te herkennen. Bij hen zal cisplatine waarschijnlijk niet goed werken en kan de arts een alternatief behandelplan opstellen. Als volgende stap willen we onderzoeken of deze DNA-afwijking ook een rol speelt bij kiemcelkanker bij meisjes en vrouwen. Ook werken we in het lab aan mogelijke alternatieve behandelingen die wel kunnen werken als cisplatine geen effect heeft.’

 

 

 

Bron: www.research.prinsesmaximacentrum.nl