Mooie cijfers over kanker zeggen niet zoveel.

25-01-2020 11:58



Auteur: Frederiek Weeda - nrc.nl/nieuws




Overlevingskansen bij kanker Deze week gepresenteerde 'overlevingscijfers'  voor kanker geven volgens sommige artsen een iets te rooskleurig beeld.



Voor de overlevingskansen bij kanker is het van groot belang of er uitzaaiingen zijn naar andere organen.

Voor de overlevingskansen bij kanker is het van groot belang of er uitzaaiingen zijn naar andere organen.

Foto Koen Suyk / ANP.





De patiënt die hoort dat hij een tumor heeft, wil twee dingen weten: is dit dodelijk en, zo ja, hoe lang heb ik nog? Daarom ergert uroloog Arjen Noordzij (Spaarne Gasthuis) zich aan de 'overlevingscijfers' die onderzoekers deze week presenteerden. Vooral de manier waarop ze werden gepresenteerd, geeft patiënten en naasten volgens hem een vertekend beeld.


Maandag 20 Januari 2020 opende het NOS Journaal met 'overlevingskans voor mensen met kanker opnieuw toegenomen'. Na een kanker-diagnose in 1990 leefde 42 procent van de patiënten vijf jaar later nog; na die diagnose in 2013 leefde 65 procent van de patiënten vijf jaar later nog (oftewel 51 procent meer). Het IKNL, de instantie die alle gegevens over kanker registreert, had een persbericht verstuurd met de kop: 'Overleving van kankerpatiënten stijgt met ongeveer 1 procent per jaar. De overleving 5 jaar na een diagnose kanker is gestegen tot 65 procent. (...) dankzij verbeterde diagnostiek en behandelingen."


Dat klinkt goed, zegt Arjen Noordzij, maar het zegt weinig. Ten eerste gaan de cijfers alleen over de vijf jaren na de diagnose; de patiënt kan er in het zesde jaar alsnog aan sterven.


Ten tweede verschilt de overlevingskans enorm per kankersoort - het orgaan waar de kanker zit. De 65 procent overlevers-na-vijf-jaar is een gemiddelde. Dat erkent het IKNL. "De kans op overleving is fors toegenomen bij borstkanker, prostaatkanker, darmkanker, nierkanker, slokdarmkanker en ook bij veel soorten bloed- en lymfeklierkanker", schrijft het IKNL.


"Daartegenover staan kankersoorten waarbij minder dan een kwart van de patiënten vijf jaar na de diagnose in leven is. Onder andere longkanker en slokdarmkanker. Alvleesklierkanker (exclusief neuro-endocriene tumoren) heeft met vijf procent de laagste overleving na vijf jaar". Anders gezegd: van de patiënten met alvleesklierkanker leeft 95 procent niet meer, vijf jaar na de diagnose.


Overlevings- of sterftecijfers:

Van belang is ook dat bevolkingsonderzoek en screening er de afgelopen jaren toe hebben geleid dat borstkanker, darmkanker en prostaatkanker bij veel meer mensen in een vroeg stadium worden ontdekt. Soms zijn dat tumoren waar de patiënt nooit aan zal overlijden maar die wél meetellen in de 'overlevingscijfers'.


Arjen Noordzij pleit er daarom voor sterftecijfers te publiceren in plaats van 'overlevingscijfers' - die zijn eerlijker. "De sterftecijfers zijn ook positief, want tussen 1989 en 2017 is het aantal kankerpatiënten dat eraan sterft met 27 procent gedaald. Alleen klínkt dat minder indrukwekkend dan 51 procent meer overleving."


Waarom wordt het nieuws zo gebracht? Ook de Wereldgezondheidsorganisatie brengt altijd overlevingsstatistieken in plaats van sterftestatistieken. "We hebben niet bewust een vertekend beeld willen geven", zegt een woordvoerder van het IKNL. "Alle nuances staan in de onderliggende cijfers. Maar het is moeilijk om de nuances in een persbericht te vatten."


Volgens Noordzij past de berichtgeving in de 'positiviteitscultuur' rond kanker. "'Overleven' doe je na strijd. En het idee dat je kunt winnen van kanker, mits je positief blijft, is wijdverspreid. Positieve berichten geven ook meer reden om geld uit te trekken voor onderzoek dan negatieve."


Kankerpatiënten, zegt ook oncoloog Gabe Sonke van het Antoni van  Leeuwenhoek, zijn meestal op zoek naar hoop. Positieve nieuwsberichten voeden die hoop. "Patiënten hebben vaak vragen als er een 'doorbraak' is gemeld. Ik moet dan vaak uitleggen dat zij daar niets aan zullen hebben. Als AVL maken we ook onderzoeksresultaten bekend die niet altijd relevant zijn voor de patiënt van nu. Maar voor patiënten in de toekomst misschien wel."


Van groot belang voor de patiënt is de mededeling of er wel of geen uitzaaiingen zijn naar andere organen. Is de kanker al uitgezaaid, dan zal behandeling (operatie, chemo, bestraling, immunotherapie) het leven louter verlengen met een paar maanden of jaren. Is de kanker níet uitgezaaid, dan kan de kanker vaak uit dat ene orgaan worden weggesneden en zijn de perspectieven beter.


Maar ook dát is genuanceerd, zegt oncoloog Gabe Sonke van het NKI-Avl in Amsterdam. "Als borstkanker is uitgezaaid naar de lymfklieren vlakbij de tumor, dan kunnen we dat in de lymfklieren weghalen. Maar is het eenmaal naar de longen of lever uitgezaaid, dan niet." En ook als je géén zichtbare uitzaaiingen hebt, zegt Sonke, kunnen die later alsnog opduiken.


"Het idee dat het goed is als je 'er vroeg bij bent', en de kanker niet is uitgezaaid naar andere organen, leidt ertoe dat iedereen denkt dat je er vroeg bij móét zijn", zegt Noordzij. En als je dat bent, dat je dan te genezen bent. "Terwijl de tumor die zichtbaar is - op zelfs de modernste apparatuur - is al enorm gegroeid. Hij heeft al zo veel celdelingen doorgemaakt dat hij zijn langste tijd al achter zich heeft."


Betere operatietechnieken:

Bij de bevolkingsonderzoeken naar borst- en darmkanker worden naast behandelbare tumoren ook tumoren ontdekt waar de patiënt sowieso aan zal overlijden, welke behandeling de patiënt ook krijgt. Of de patiënt díe diagnose vroeg of laat hoort, maakt voor zijn overlevingskansen niet uit. Sonke: "Als je het vroeg hoort, weet je langer dat je kanker hebt."


Is er geen reden voor hoop op de lange termijn? Zeker wel, zeggen beide artsen.  Betere operatietechnieken leiden ertoe dat na de diagnose 'slokdarmkanker' 23 procent van de patiënten vijf jaar later nog leeft; tegen 8 procent van de patiënten uit 1990. Nieuwe therapieën kunnen bij sommige patiënten  enorme winst opleveren. Borstkankerpatiënten met uitzaaiingen leven nu gemiddeld nog vier jaar, vroeger  twee. En toch, zegt Sonke: "De individuele patiënt denkt meestal: vier jaar? Ik had er nog twintig gewild."




Bron: www.nrc.nl