Op zoek naar een persoonlijke behandeling bij triple negatieve borstkanker.

13-10-2021 14:39






Van alle borstkankerpatiënten heeft een relatief grote subgroep van zo'n vijftien procent triple negatieve borstkanker. Dat zijn een paar duizend, vaak relatief jonge vrouwen per jaar. Internist-oncoloog Marleen Kok doet onderzoek naar de behandeling van deze vorm van borstkanker. Zij ziet nieuwe mogelijkheden om deze ziekte beter en in bepaalde gevallen juist minder te behandelen.


Driemaal niks:


"Bij triple negatieve borstkanker, of kortweg TNBC," legt Marleen uit, "hebben patiënten letterlijk driemaal niks. Ze hebben geen oestrogeenreceptor en geen progesteronreceptor. Dat betekent dat de tumor niet groeit onder invloed van een van deze beide hormonen. Daarnaast komt de receptor HER2 niet tot expressie. Een of meerdere van deze drie kenmerken komt  bij andere subtypen van borstkanker wel voor."


Normaal gesproken zijn die kenmerken aanleiding voor en bieden ze mogelijkheden tot een behandeling. "Bij deze patiëntengroep is dat dus niet zo. Dat maakt het ook moeilijker om deze tumoren gericht te behandelen. Waar we voor andere patiëntengroepen al goede doelgerichte medicijnen hebben, ontbreken die hier nog."





"Ons onderzoek is gericht op een persoonlijke behandeling, oftewel therapie op maat. Bij welke patiënt zou immuuntherapie het best werken?


Marleen Kok Internist oncoloog.



Behandeling:


Hoe worden deze patiënten dan wel behandeld? "Op dit moment hebben we naast lokale behandeling (operatie, bestraling) alleen chemotherapie om de ziekte mee te behandelen," vertelt Marleen. "De helft van de patiënten reageert hier zeer goed op. Daarbij worden de tumorcellen netjes opgeruimd en komt de kanker slechts bij vijf procent of minder van de gevallen terug. Het probleem is dat de andere helft van de patiënten onvoldoende op deze behandeling reageert. Bij deze groep blijkt tijdens de operatie dat er nog restziekte zit. Bij patiënten bij wie de chemotherapie de tumor niet helemaal heeft opgeruimd, is de kans groter dat de ziekte terugkomt."


Immuuntherapie:


Nieuw onderzoek laat zien dat immuuntherapie kan helpen. Bij deze behandelmethode wordt het afweersysteem van het lichaam ingezet om de tumor aan te pakken. De slagingskans is nu 65 procent. Marleen: "Dat is een mooie vooruitgang en hopelijk snel de nieuwe standaardbehandeling, maar nog niet voldoende. Bovendien heeft immuuntherapie weliswaar weinig, maar enkele serieuze bijwerkingen. Er is dus nog veel werk aan de winkel."


Ideale situatie:


Voor Marleen zou het de ideale situatie zijn wanneer de behandelaar vooraf weet welke patiënt baat heeft bij welke behandeling. "Ons onderzoek is daar ook op gericht, op een persoonlijke behandeling, oftewel therapie op maat. Bij welke patiënt zou immuuntherapie het best werken? Daarvoor kijken we of er immuunherkenning voor de start van de behandeling aanwezig is. Hierin bestaan namelijk grote verschillen binnen TNBC. Bij sommige TNBC-patiënten zitten er rondom tumorcellen veel afweercellen (lymfocyten). Deze patiënten hebben een betere prognose, er bestaat een hogere kans dat de chemotherapie werkt en waarschijnlijk werkt ook de immuuntherapie beter."


Goed nieuws:


De volgende onderzoeksvraag is of deze patiënten misschien wel voldoende hebben aan alleen maar immuuntherapie, aan minder chemotherapie, of zelfs helemaal geen behandeling nodig hebben. Marleen: "In onze studie krijgen patiënten na de immuuntherapie alsnog chemotherapie, maar die is voor sommige patiënten misschien niet eens meer nodig. Je zou dan dus minder of zelfs helemaal geen chemo meer hoeven te geven. Dat is goed nieuws. Dat verhoogt namelijk de kwaliteit van leven voor deze patiënten aanzienlijk."


Voor de 35 procent waar chemo-/immuuntherapie onvoldoende werkt is de nood echter hoog om andere behandelingen te vinden. "De eerste resultaten van zogenaamde antibody-drugconjugaten, waarbij de chemotherapie heel gericht in de kankercel wordt gebracht, zijn hoopgevend."


Vidi:


Eerder dit jaar ontving Marleen een grote Vidi-subsidie van de NWO. Daarmee kan zij haar onderzoek verder uitbreiden. "Om te beginnen hier in het Antoni van Leeuwenhoek. Het fijne is dat allerlei disciplines hier goed samenwerken, waardoor we resultaten uit het lab snel naar de kliniek kunnen brengen. Bij patiënten dus, daar doen we het voor."





Bron: www.avl.nl/nieuwsberichten