Genprofieltesten bij borstkanker: wel vergoed, maar nog niet breed ingezet door oncologen.

16-06-2026 17:31

 

 

Auteur: Willem van Altena - ntvo.nl

 

 

 

 

 

 

 

Slechts een derde van de Nederlandse borstkankerpatiënten die in aanmerking komen voor een vergoede genexpressieprofieltest, krijgt deze ook daadwerkelijk, terwijl de test juist kan helpen om onnodige chemotherapie te voorkomen. Dat blijkt uit een landelijke studie van Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL), geleid door hoogleraar en epidemioloog Sabine Siesling (Universiteit Twente), die recent is gepubliceerd in het International Journal of Cancer.

 

In het onderzoek is gebruikgemaakt van gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR), waarbij vrouwen met borstkanker in een vroeg stadium zijn geselecteerd die volgens de richtlijnen in aanmerking komen voor een genexpressieprofieltest. Ongeveer 13 procent van alle borstkankerpatiënten in Nederland valt binnen deze indicatiegroep.

 

 

Aanvullende informatie:

Genprofieltesten zoals MammaPrint en Oncotype DX geven aanvullende informatie over het risico op uitzaaiingen en ondersteunen daarmee de beslissing om al dan niet chemotherapie in te zetten. De studie richtte zich specifiek op het effect van invoering van vergoeding in Nederland op het gebruik van deze testen en op de relatie tussen testuitslagen en behandelkeuzes.

 

Sinds oktober 2023 worden genprofieltests in Nederland vergoed voor bepaalde groepen borstkankerpatiënten. Voor invoering van deze vergoeding kreeg slechts 9 procent van de patiënten met een indicatie daadwerkelijk een genprofieltest. Na invoering steeg dit aandeel naar 37 procent, wat neerkomt op een duidelijke maar toch achterblijvende toename in gebruik.

 

 

Inzet blijft achter:

Ondanks deze stijging betekent het huidige gebruiksniveau dat naar schatting ruim duizend vrouwen in 2024 geen test hebben ondergaan terwijl zij daarvoor volgens de criteria wel in aanmerking kwamen. De onderzoekers wijzen erop dat deelname aan de test weliswaar jaarlijks verder toeneemt, maar dat de inzet achterblijft bij wat vanuit het perspectief van passende zorg verwacht mag worden.

 

 

Behandelkeuze:

De studie laat zien dat de uitslag van een genprofieltest sterk samenhangt met de uiteindelijke behandelkeuze. Bij patiënten met een hoog risico op uitzaaiingen op basis van MammaPrint of Oncotype DX kreeg respectievelijk 83 en 85 procent chemotherapie. In de laagrisicogroep werd chemotherapie juist in 93 procent (MammaPrint) en 97 procent (Oncotype DX) van de gevallen achterwege gelaten.

 

Deze cijfers illustreren dat genprofieltests in de dagelijkse praktijk een belangrijke rol spelen bij het voorkomen van overbehandeling en bijwerkingen, doordat ze bijdragen aan het beperken van chemotherapie bij patiënten met een laag recidiefrisico. De testuitslag fungeert daarmee in veel gevallen als doorslaggevende factor in de behandelbeslissing.

 

 

Geen test, toch chemo:

Opvallend is dat een aanzienlijk deel van de patiënten die in aanmerking kwam voor een genprofieltest, maar deze niet kreeg, toch chemotherapie ontving. Meer dan de helft (52 procent) van deze groep kreeg een chemokuur. Volgens de onderzoekers suggereert dit dat bij afwezigheid van testinformatie eerder wordt gekozen voor chemotherapie, mogelijk uit voorzichtigheid.

 

Omdat voor deze patiënten geen testuitslag beschikbaar is, blijft onduidelijk in welke mate chemotherapie in deze groep achteraf gezien noodzakelijk was. Dit beperkt de mogelijkheid om exact te kwantificeren hoe veel overbehandeling optreedt, maar onderstreept wel dat het ontbreken van genprofielinformatie aanzienlijke consequenties kan hebben voor de behandelintensiteit.

 

 

Implementatie:

Hoewel genprofieltests in de richtlijn verankerd zijn als hulpmiddel voor gepersonaliseerde behandeling, is de toepassing in de klinische praktijk duidelijk nog niet optimaal. De onderzoekers en IKNL wijzen erop dat vergoeding alleen onvoldoende blijkt om brede implementatie te garanderen. Mogelijke barrières liggen onder andere op het vlak van kennis en ervaring bij zorgprofessionals, organisatorische inbedding in regionale oncologienetwerken en verschillen in ziekenhuisbeleid.

 

Om deze drempels beter in kaart te brengen, starten IKNL, de Universiteit Twente en een groep clinici en onderzoekers een implementatieproject, mede gefinancierd door ZonMw. Doel is te komen tot een landelijk implementatieplan dat de inzet van genprofieltests binnen alle regionale oncologienetwerken structureel verankert en daarmee passende zorg bevordert.

 

Dit implementatieplan moet niet alleen de huidige tests MammaPrint en Oncotype DX beter positioneren, maar ook richting geven aan de toekomstige inzet van nieuwe genprofieltests zoals Prosigna. Recente resultaten uit onderzoek van University College London suggereren dat ongeveer twee derde van de borstkankerpatiënten veilig met hormoontherapie in plaats van chemotherapie kan worden behandeld, mits met behulp van een test goed wordt onderscheiden welke patiënten hiervan profiteren.

 

 

 

 

Bron: www.ntvo.nl