Kun je longkanker ruiken? Alessandra Buma deed er onderzoek naar.

Kun je aan iemands adem zien of iemand longkanker heeft? Alessandra Buma (29) zocht het uit. Zij werkt in het Radboudumc in Nijmegen. Daar volgt ze de opleiding tot longarts. Eén dag per week doet ze onderzoek.

Tijdens haar studie kwam Alessandra toevallig terecht bij onderzoek met een elektronische neus. “Eerst dacht ik: ik ga nooit onderzoek doen. Maar ik vond het juist heel leuk.” Daarna deed ze vier jaar onderzoek naar betere manieren om longkanker te vinden en te behandelen. Ze kreeg daarbij begeleiding van Professor Michel van den Heuvel, Dokter Berber Piet en Dokter Rob ter Heine. Wij spraken haar over wat haar onderzoek kan betekenen voor mensen met longkanker.
Over haar onderzoek schreef Alessandra een proefschrift. Een proefschrift is een groot wetenschappelijk boek: Biomarker-based strategies to improve the diagnosis and treatment of patients with lung cancer. In het Nederlands: ‘Manieren om met biomarkers de diagnose en behandeling van mensen met longkanker te verbeteren’.
In de titel van je proefschrift staat het woord biomarkers. Wat zijn dat?
“Biomarkers zijn dingen die je in het lichaam kunt meten. Ze geven informatie. Daardoor kun je de diagnose en de behandeling beter afstemmen op de patiënt. Vroeger gaven we iedereen dezelfde behandeling. Nu weten we dat dat niet altijd het beste is. Soms werkt een andere behandeling beter. Dat hangt af van de eigenschappen van de patiënt of van de tumor. Dat noemen we zorg op maat. Daarvoor heb je biomarkers nodig.
Een voorbeeld is longkankerscreening. Dan zoek je longkanker vroeg, zodat genezing nog mogelijk is. Maar zo vind je ook tumoren die heel langzaam groeien. Die zullen nooit klachten geven. Met een goede biomarker kun je zeggen: deze patiënt hoeft geen behandeling. Dan krijgt hij ook geen bijwerkingen. De patiënt blijft wel onder controle.
Wat heb je precies onderzocht?
“Ik heb gekeken naar biomarkers die de diagnose en de behandeling van longkanker beter kunnen maken. Het is belangrijk dat we longkanker eerder vinden, want dan kun je nog een behandeling geven die mensen kan genezen. Je wilt een makkelijke test, zonder dat je een stukje van de longkanker (weefsel) of bloed hoeft af te nemen. Een test die zegt: er is wel longkanker, of er is geen longkanker. Wij deden dat met een elektronische neus. De patiënt blaast in een apparaat. Op basis van de adem voorspellen we of iemand wel of geen longkanker heeft.”
Hoe werkt de elektronische neus?
“In je adem zitten heel veel stoffen. De elektronische neus kijkt niet naar losse stoffen, maar naar het totale patroon. Mensen met een bepaalde ziekte hebben een eigen ademprofiel. Gezonde mensen ook. Zo kun je ze van elkaar onderscheiden.
Het idee is al heel oud. Het begon toen men zag dat honden tumoren kunnen ruiken. Toen dachten onderzoekers: kunnen we dat nadoen met een apparaat? Een ander voorbeeld is suikerziekte. Is de suiker van iemand niet goed geregeld? Dan ruikt de adem soms naar aceton. Dat je ziektes aan de adem kunt ruiken, weten we dus al heel lang.”
Je keek ook naar de behandeling van longkanker. Wat heb je daar onderzocht?
“Kunnen we met de elektronische neus vooraf zien wie goed op een behandeling reageert? Dan geef je de behandeling alleen aan mensen die er iets aan hebben. De anderen krijgen dan geen vervelende bijwerkingen. En je bespaart kosten.
Verder keek ik naar biomarkers in het bloed. Bijvoorbeeld DNA of eiwitten van de tumor. Daarmee zie je eerder dat een behandeling niet meer werkt. Dan behandel je mensen niet te lang door. Dat is belangrijk. Wie te lang doorbehandeld wordt, is soms niet meer fit genoeg voor een volgende behandeling.”
Wordt de elektronische neus al gebruikt in het ziekenhuis?
“Nee, niet voor longkanker. Bij sommige andere longziektes zijn ze al verder. Een apparaat moet eerst officiële goedkeuring krijgen. Net als bij medicijnen doorloop je daarvoor verschillende fases. Steeds moet je laten zien dat het werkt. Dan ben je zo tien jaar verder, of langer. Voor de diagnose van longkanker zijn we daar nog niet.”

Hoe goed werkt de elektronische neus?
“In ons onderzoek keken we wat er zou gebeuren als we de elektronische neus zouden gebruiken. Ongeveer 75 van de 100 van de mensen had dan geen onnodig extra onderzoek nodig gehad. Zoals een scan of een biopt (een stukje weefsel). Het risico is dat je bij 5 tot 6 van de 100 mensen longkanker mist. Dat kun je nog verbeteren. Je kunt de test combineren met andere informatie. Bijvoorbeeld of iemand rookt, of lang gerookt heeft of bloed ophoest. Dan is de kans op longkanker groter. Je kunt voor meer zekerheid zorgen. Zegt de test: geen longkanker? Dan komt iemand over twee maanden terug en doen we de test opnieuw. Zo mis je nog minder longkanker."
Kan de elektronische neus straks een biopt vervangen?
“Alleen bij hele kleine tumoren, kleiner dan 8 millimeter. Nu krijgen die mensen vaak elke drie maanden een scan om te zien of de tumor groeit. Door dat wachten kan een agressieve tumor verder groeien. Met de elektronische neus kun je misschien eerder kiezen voor bestraling. Bij hele kleine tumoren werkt dat even goed als een operatie, met minder bijwerkingen.
Voor alle andere patiënten blijft een biopt nodig. We stemmen de behandeling af op de eigenschappen van de tumor. Wat voor longkanker is het? Zijn er veranderingen in het DNA van de tumor? Daarvoor heb je weefsel nodig. Het doel is om sneller te weten of iemand longkanker heeft. Nu kost dat soms veel tijd. Het is niet zo dat iemand straks alleen in een apparaat blaast, en dat we dan weten wat we moeten doen.”
Je onderzoek wordt nog niet gebruikt in de praktijk. Kan het patiënten nu al helpen?
“Ja, één deel wel. Dat gaat over tumormarkers. Dat zijn eiwitten van de tumor in het bloed. In het Radboudumc meten we die al bij iedere patiënt met longkanker. Werkt de behandeling? Dan worden de tumormarkers meestal lager. Werkt de behandeling niet? Dan worden ze hoger. Maar we wisten vaak niet goed wanneer dat echt iets betekent. Daarom heb ik gekeken hoe de tumormarkers zich over een langere tijd gedragen. Gaan ze steeds omhoog? Blijven ze gelijk? Of gaan ze omlaag? Dat zegt veel over hoe de ziekte verloopt.
Ik werkte zelf tweeënhalf jaar op de poli. Daar zag ik patiënten met uitgezaaide longkanker. Zij deden mee aan een onderzoek naar een behandeling. Bij een mevrouw zag ik op de scan dat één plek weer ging groeien. Ze was erg bang dat ze met de behandeling moest stoppen. Meestal bestralen we dan alleen die ene plek. Daarna gaan we gewoon door met de behandeling. Haar tumormarkers waren goed. Daarom kon ik zeggen: ik verwacht niet dat we hoeven te stoppen. We bestralen deze plek en gaan door. Dat bleek ook zo te zijn.”
Je proefschrift is klaar. Wat gebeurt er nu met je onderzoek?
“Het plan is dat ik ermee doorga. Ik richt me vooral op immuuntherapie. Die behandeling helpt het eigen afweersysteem om de longkanker aan te vallen. We moeten biomarkers ontwikkelen die meten hoe actief het afweersysteem is. En biomarkers die meten hoe actief de longkanker is. Daarvoor kunnen we de tumormarkers in het bloed gebruiken, het tumor-DNA en de elektronische neus. Die twee moeten we combineren. Dan weten we wanneer we de behandeling het beste kunnen geven. Zo haal je er het meeste uit.
Misschien kunnen we zo ook voorkomen dat de behandeling minder goed gaat werken. Bij vaccinaties (inentingen) zie je iets vergelijkbaars. Als je te vaak vaccineert, kort na elkaar, werkt het juist minder goed. Zo zie ik de toekomst van zorg op maat.”